[S11] Genesis 16, 11-12 (Betrouwbaarheid: 3).
Genesis 16
[11] Ook zei de Engel van de HEERE tegen haar:
Zie, u bent zwanger;
u zult een zoon baren
en u moet hem de naam Ismaël geven,
omdat de HEERE uw verdrukking gehoord heeft.
[12] En hij zal zijn
een wilde ezel van een mens;
zijn hand zal tegen allen zijn,
en de hand van allen tegen hem;
en hij zal wonen tegenover al zijn broeders.
[S11] Genesis 16, 15-16 (Betrouwbaarheid: 3).
Genesis 16
[15] Hagar baarde een zoon bij Abram, en Abram gaf zijn zoon, die Hagar gebaard had, de naam Ismaël.
[16] Abram was zesentachtig jaar oud, toen Hagar Ismaël bij Abram baarde.
[S18] Genesis 25, 17 (Betrouwbaarheid: 3).
Genesis 25
[17] Dit zijn de levensjaren van Ismaël: honderdzevenendertig jaar. Toen gaf hij de geest en stierf, en hij werd met zijn voorgeslacht verenigd.
[S11] Genesis 16, 1-4 (Betrouwbaarheid: 3).
Genesis 16
Hagar en Ismaël
[1] Maar Sarai, de vrouw van Abram, had hem geen kinderen geschonken. Nu had zij een Egyptische slavin, van wie de naam Hagar was.
[2] Daarom zei Sarai tegen Abram: Zie toch, de HEERE heeft mijn baarmoeder gesloten, zodat ik geen kinderen kan krijgen. Kom toch bij mijn slavin; misschien zal ik uit haar nageslacht krijgen. En Abram luisterde naar de stem van Sarai.
[3] Toen nam Sarai, de vrouw van Abram, Hagar, de Egyptische, haar slavin, nadat Abram tien jaar in het land Kanaän gewoond had, en gaf haar aan Abram, haar man, als vrouw voor hem.
[4] Hij kwam bij Hagar en zij werd zwanger. Toen zij nu zag dat zij zwanger geworden was, was haar meesteres in haar ogen verachtelijk.
[S18] Genesis 25, 13-15 (Betrouwbaarheid: 3).
Genesis 25
[13] Dit zijn de namen van de zonen van Ismaël, met hun namen ingedeeld naar hun afstamming. De eerstgeborene van Ismaël was Nebajoth, en vervolgens Kedar, Adbeël en Mibsam;
[14] Misma, Duma, en Massa;
[15] Hadar, Tema, Jetur, Nafis en Kedma.