Exodus 12
[40] De verblijfsduur van de Israëlieten, de tijd dat zij in Egypte gewoond hadden, was vierhonderddertig jaar.
[41] En het gebeurde na verloop van vierhonderddertig jaar, op deze zelfde dag gebeurde het: alle legers van de HEERE zijn uit het land Egypte vertrokken.
Exodus 12
[40] De verblijfsduur van de Israëlieten, de tijd dat zij in Egypte gewoond hadden, was vierhonderddertig jaar.
[41] En het gebeurde na verloop van vierhonderddertig jaar, op deze zelfde dag gebeurde het: alle legers van de HEERE zijn uit het land Egypte vertrokken.
Exodus 12
[40] De verblijfsduur van de Israëlieten, de tijd dat zij in Egypte gewoond hadden, was vierhonderddertig jaar.
[41] En het gebeurde na verloop van vierhonderddertig jaar, op deze zelfde dag gebeurde het: alle legers van de HEERE zijn uit het land Egypte vertrokken.
Exodus 6
[22] Aäron nam Eliseba, dochter van Amminadab en zuster van Nahesson, voor zichzelf tot vrouw. Zij baarde hem Nadab en Abihu, Eleazar en Ithamar.
Genesis 25
[13] Dit zijn de namen van de zonen van Ismaël, met hun namen ingedeeld naar hun afstamming. De eerstgeborene van Ismaël was Nebajoth, en vervolgens Kedar, Adbeël en Mibsam;
[14] Misma, Duma, en Massa;
[15] Hadar, Tema, Jetur, Nafis en Kedma.
Genesis 30
[7] En Bilha, Rachels slavin, werd opnieuw zwanger en baarde Jakob een tweede zoon.
[8] Toen zei Rachel: Ik heb een zware strijd met mijn zuster gevoerd, en ik heb ook gewonnen. Daarom gaf zij hem de naam Naftali.
Genesis 46
[15] Dit waren de zonen van Lea, die zij Jakob gebaard heeft in Paddan-Aram, met Dina, zijn dochter. Het totale aantal zielen van zijn zonen en dochters was drieëndertig.
Genesis 10
[13] Mizraïm verwekte de Ludieten, de Anamieten, de Lehabieten, de Naftuchieten,
[14] de Pathrusieten, de Kasluchieten – uit wie de Filistijnen voortgekomen zijn – en de Kaftorieten.
Genesis 36
[17] Dit zijn de zonen van Rehuel, de zoon van Ezau: het stamhoofd Nahath, het stamhoofd Zerah, het stamhoofd Samma, het stamhoofd Mizza; dit zijn de stamhoofden van Rehuel in het land Edom; dit zijn de zonen van Basmath, de vrouw van Ezau.
Exodus 6
[22] Aäron nam Eliseba, dochter van Amminadab en zuster van Nahesson, voor zichzelf tot vrouw. Zij baarde hem Nadab en Abihu, Eleazar en Ithamar.
1 Kronieken 3
De nakomelingen van David
[1] Dit waren de zonen van David, die bij hem in Hebron geboren zijn: de eerstgeborene Amnon, bij Ahinoam uit Jizreël; de tweede Daniël, bij Abigaïl, uit Karmel;
[2] de derde Absalom, de zoon van Maächa, de dochter van Talmai, de koning in Gesur; de vierde Adonia, de zoon van Haggith;
[3] de vijfde Sefatja, van Abital; de zesde Jithream, bij zijn vrouw Egla.
[4] Zes zonen zijn hem in Hebron geboren. Hij regeerde daar zeven jaar en zes maanden. Drieëndertig jaar regeerde hij in Jeruzalem.
[5] Deze zonen zijn hem in Jeruzalem geboren: Simea, Sobab, Nathan en Salomo. Deze vier zijn zonen van Bath-Sua, de dochter van Ammiël;
[6] en vervolgens Jibchar, Elisama, Elifelet,
[7] Nogah, Nefeg, Jafia,
[8] Elisama, Eljada en Elifelet, negen zonen.
[9] Zij zijn allen zonen van David, naast de zonen van de bijvrouwen, en Tamar, hun zuster.
Genesis 25
[13] Dit zijn de namen van de zonen van Ismaël, met hun namen ingedeeld naar hun afstamming. De eerstgeborene van Ismaël was Nebajoth, en vervolgens Kedar, Adbeël en Mibsam;
[14] Misma, Duma, en Massa;
[15] Hadar, Tema, Jetur, Nafis en Kedma.
1 Kronieken 3
De nakomelingen van David
[1] Dit waren de zonen van David, die bij hem in Hebron geboren zijn: de eerstgeborene Amnon, bij Ahinoam uit Jizreël; de tweede Daniël, bij Abigaïl, uit Karmel;
[2] de derde Absalom, de zoon van Maächa, de dochter van Talmai, de koning in Gesur; de vierde Adonia, de zoon van Haggith;
[3] de vijfde Sefatja, van Abital; de zesde Jithream, bij zijn vrouw Egla.
[4] Zes zonen zijn hem in Hebron geboren. Hij regeerde daar zeven jaar en zes maanden. Drieëndertig jaar regeerde hij in Jeruzalem.
[5] Deze zonen zijn hem in Jeruzalem geboren: Simea, Sobab, Nathan en Salomo. Deze vier zijn zonen van Bath-Sua, de dochter van Ammiël;
[6] en vervolgens Jibchar, Elisama, Elifelet,
[7] Nogah, Nefeg, Jafia,
[8] Elisama, Eljada en Elifelet, negen zonen.
[9] Zij zijn allen zonen van David, naast de zonen van de bijvrouwen, en Tamar, hun zuster.
1 Kronieken 2
[13] Isaï verwekte Eliab, zijn eerstgeborene, Abinadab, de tweede, en Simea, de derde,
[14] Nethaneël, de vierde, Raddai, de vijfde,
[15] Ozem, de zesde, en David, de zevende.
[16] Hun zusters waren Zeruja en Abigaïl. De zonen van Zeruja waren Abisaï, Joab en Asaël, drie zonen.
Genesis 10
[8] En Cusj verwekte Nimrod; die begon een geweldenaar op de aarde te worden.
[9] Hij was een geweldig jager voor het aangezicht van de HEERE; daarom wordt gezegd: Als Nimrod, een geweldig jager voor het aangezicht van de HEERE.
Genesis 5
[28] Lamech leefde honderdtweeëntachtig jaar, en verwekte een zoon.
[29] En hij gaf hem de naam Noach, en zei: Deze zal ons troosten over ons werk en over het zwoegen van onze handen, vanwege de aardbodem, die door de HEERE vervloekt is.
Genesis 7
[11] In het zeshonderdste levensjaar van Noach, in de tweede maand, op de zeventiende dag van de maand, op die dag zijn alle bronnen van de grote watervloed opengebarsten en de sluizen van de hemel opengezet.
[12] En er was regen op de aarde, veertig dagen en veertig nachten.
Genesis 8
[3] Vervolgens vloeide het water van boven de aarde terug, gaandeweg vloeide het terug. Na verloop van honderdvijftig dagen werd het water minder.
[4] En de ark bleef in de zevende maand, op de zeventiende dag van de maand, vastzitten op het gebergte van Ararat.
Genesis 8
[5] En gaandeweg werd het water minder, tot aan de tiende maand. In de tiende maand, op de eerste dag van de maand, werden de toppen van de bergen zichtbaar.
Genesis 8
[5] En gaandeweg werd het water minder, tot aan de tiende maand. In de tiende maand, op de eerste dag van de maand, werden de toppen van de bergen zichtbaar.
[6] En het gebeurde na verloop van veertig dagen dat Noach het venster van de ark, dat hij gemaakt had, opendeed.
[7] En hij liet een raaf los, die heen en weer bleef vliegen totdat het water van boven de aarde opgedroogd was.
Genesis 8
[8] Daarna liet hij een duif van bij zich los om te zien of het water op de aardbodem afgenomen was.
[9] Maar de duif vond geen rustplaats voor de holte van haar voet; daarom keerde zij naar hem terug in de ark, want het water stond nog boven heel de aarde. Hij stak zijn hand uit, pakte haar en bracht haar bij zich in de ark.
[10] En hij wachtte nog eens zeven dagen; toen liet hij de duif weer los uit de ark.
[11] En de duif kwam naar hem toe tegen de avond; en zie, er was een afgebroken olijfblad in haar snavel; daaraan merkte Noach dat het water op de aarde afgenomen was.
Genesis 8
[13] En het was in het zeshonderdeerste jaar, in de eerste maand, op de eerste dag van die maand, dat het water van boven de aarde opgedroogd was. Toen nam Noach het luik van de ark weg en keek naar buiten, en zie, de aardbodem was opgedroogd.
[14] In de tweede maand, op de zevenentwintigste dag van de maand, was de aarde droog geworden.
1 Kronieken 3
De nakomelingen van David
[1] Dit waren de zonen van David, die bij hem in Hebron geboren zijn: de eerstgeborene Amnon, bij Ahinoam uit Jizreël; de tweede Daniël, bij Abigaïl, uit Karmel;
[2] de derde Absalom, de zoon van Maächa, de dochter van Talmai, de koning in Gesur; de vierde Adonia, de zoon van Haggith;
[3] de vijfde Sefatja, van Abital; de zesde Jithream, bij zijn vrouw Egla.
[4] Zes zonen zijn hem in Hebron geboren. Hij regeerde daar zeven jaar en zes maanden. Drieëndertig jaar regeerde hij in Jeruzalem.
[5] Deze zonen zijn hem in Jeruzalem geboren: Simea, Sobab, Nathan en Salomo. Deze vier zijn zonen van Bath-Sua, de dochter van Ammiël;
[6] en vervolgens Jibchar, Elisama, Elifelet,
[7] Nogah, Nefeg, Jafia,
[8] Elisama, Eljada en Elifelet, negen zonen.
[9] Zij zijn allen zonen van David, naast de zonen van de bijvrouwen, en Tamar, hun zuster.
Genesis 46
[9] De zonen van Ruben: Hanoch, Pallu, Hezron en Charmi.
[10] De zonen van Simeon: Jemuel, Jamin, Ohad, Jachin, Zohar en Saul, de zoon van een Kanaänitische vrouw.
Genesis 36
[15] Dit zijn de stamhoofden van de zonen van Ezau. De zonen van Elifaz, de eerstgeborene van Ezau, waren: het stamhoofd Teman, het stamhoofd Omar, het stamhoofd Zefo, het stamhoofd Kenaz,
[16] het stamhoofd Korach, het stamhoofd Gaëtam, het stamhoofd Amalek. Dit waren de stamhoofden van Elifaz in het land Edom; dit waren de zonen van Ada.
1 Kronieken 2
[25] De zonen van Jerahmeël, de eerstgeborene van Hezron, waren: de eerstgeborene Ram, en vervolgens Buna, Oren, Ozem en Ahia.
[26] Jerahmeël had nog een andere vrouw, en haar naam was Atara; zij was de moeder van Onam.