Genesis 38
[3] Zij werd zwanger en baarde een zoon, en hij gaf hem de naam Er.
[4] Daarna werd zij weer zwanger, baarde een zoon en gaf hem de naam Onan.
Genesis 46
[12] De zonen van Juda: Er, Onan, Sela, Perez en Zerah. Er en Onan waren echter in het land Kanaän gestorven. De zonen van Perez waren Hezron en Hamul.
Genesis 46
[12] De zonen van Juda: Er, Onan, Sela, Perez en Zerah. Er en Onan waren echter in het land Kanaän gestorven. De zonen van Perez waren Hezron en Hamul.
1 Kronieken 2
[25] De zonen van Jerahmeël, de eerstgeborene van Hezron, waren: de eerstgeborene Ram, en vervolgens Buna, Oren, Ozem en Ahia.
[26] Jerahmeël had nog een andere vrouw, en haar naam was Atara; zij was de moeder van Onam.
1 Kronieken 2
[13] Isaï verwekte Eliab, zijn eerstgeborene, Abinadab, de tweede, en Simea, de derde,
[14] Nethaneël, de vierde, Raddai, de vijfde,
[15] Ozem, de zesde, en David, de zevende.
[16] Hun zusters waren Zeruja en Abigaïl. De zonen van Zeruja waren Abisaï, Joab en Asaël, drie zonen.
1 Kronieken 2
[25] De zonen van Jerahmeël, de eerstgeborene van Hezron, waren: de eerstgeborene Ram, en vervolgens Buna, Oren, Ozem en Ahia.
[26] Jerahmeël had nog een andere vrouw, en haar naam was Atara; zij was de moeder van Onam.
Genesis 10
[13] Mizraïm verwekte de Ludieten, de Anamieten, de Lehabieten, de Naftuchieten,
[14] de Pathrusieten, de Kasluchieten – uit wie de Filistijnen voortgekomen zijn – en de Kaftorieten.
Genesis 10
[25] Bij Heber werden twee zonen geboren; de naam van de ene was Peleg, omdat in zijn dagen de aarde verdeeld is, en de naam van zijn broer was Joktan.
Genesis 38
[6] En Juda nam een vrouw voor Er, zijn eerstgeborene; haar naam was Tamar.
[7] Maar Er, de eerstgeborene van Juda, was slecht in de ogen van de HEERE; daarom doodde de HEERE hem.
[8] Toen zei Juda tegen Onan: Kom bij de vrouw van je broer, vervul je zwagerplicht tegenover haar en verwek nageslacht voor je broer.
[9] Onan wist echter dat dit nageslacht niet voor hem zou zijn; daarom gebeurde het, telkens wanneer hij bij de vrouw van zijn broer kwam, dat hij zijn zaad op de grond verspilde om zijn broer geen nageslacht te geven.
[10] Wat hij deed, was echter slecht in de ogen van de HEERE; daarom doodde Hij ook hem.
[11] Toen zei Juda tegen Tamar, zijn schoondochter: Ga maar zolang als weduwe in het huis van je vader wonen, totdat mijn zoon Sela groot is. Hij zei namelijk: Anders zal hij ook sterven, net zoals zijn broers! Zo ging Tamar weg en ging in het huis van haar vader wonen.
[12] Toen veel dagen verlopen waren, stierf de dochter van Sua, de vrouw van Juda. Daarna vond Juda troost en ging hij naar zijn schaapscheerders, naar Timna, hij en zijn vriend Hira uit Adullam.
[13] En men vertelde Tamar: Zie, uw schoonvader gaat naar Timna om zijn schapen te scheren.
[14] Toen trok zij haar weduwkleed uit, bedekte zich met een sluier, omhulde zich en ging zitten bij de ingang van Enaïm, dat op de weg naar Timna ligt. Zij had namelijk gezien dat Sela groot geworden was en zij aan hem niet tot vrouw was gegeven.
[15] Toen Juda haar zag, hield hij haar voor een hoer, omdat zij haar gezicht bedekt had.
[16] En hij ging naar haar toe langs de weg en zei: Kom toch mee, ik wil bij u komen; hij wist immers niet dat het zijn schoondochter was. En zij zei: Wat zult u mij geven, als u bij mij komt?
[17] Hij zei: Ik zal u een geitenbokje van mijn kudde sturen. Zij zei: Goed, als u een onderpand geeft, totdat u het bokje gestuurd hebt.
[18] Toen zei hij: Wat is het onderpand dat ik u zal geven? Zij zei: Uw zegelring, uw snoer en uw staf, die u in uw hand hebt. Hij gaf ze haar, kwam bij haar, en zij werd zwanger van hem.
[19] Daarna stond zij op, ging weg, legde haar sluier van zich af en trok haar weduwkleed weer aan.
[20] Juda stuurde het geitenbokje door bemiddeling van zijn vriend uit Adullam, om het onderpand uit de hand van de vrouw terug te krijgen; hij vond haar echter niet.
[21] Toen vroeg hij aan de mensen van haar woonplaats: Waar is de hoer die bij Enaïm langs de weg zat? Maar zij zeiden: Er is hier geen hoer geweest.
[22] Hij keerde daarop terug naar Juda en zei: Ik heb haar niet gevonden, en ook de mensen van die plaats zeiden: Er is hier geen hoer geweest.
[23] Toen zei Juda: Laat ze het onderpand zelf maar houden, anders zullen wij veracht worden. Zie, ik heb dit bokje willen sturen, maar u hebt haar niet gevonden.
[24] Het gebeurde ongeveer drie maanden later dat men Juda vertelde: Tamar, uw schoondochter, heeft hoererij bedreven en zie, ze is ook zwanger door die hoererij. Toen zei Juda: Breng haar de stad uit en laat haar verbrand worden!
[25] Terwijl zij de stad uit gebracht werd, stuurde ze een bode naar haar schoonvader om te zeggen: Van de man van wie deze voorwerpen zijn, ben ik zwanger. Ze zei: Kijk toch eens van wie deze zegelring, deze snoeren en deze staf zijn.
[26] En Juda herkende ze en zei: Zij staat in haar recht, meer dan ik, omdat ik haar niet aan mijn zoon Sela gegeven heb. En hij had voortaan geen gemeenschap meer met haar.
[27] En het gebeurde tegen de tijd dat zij baren zou, en zie! er bleek een tweeling in haar schoot te zijn.
[28] En terwijl zij baarde, gebeurde het dat de ene zijn hand naar buiten stak. De vroedvrouw pakte die, bond een scharlakenrode draad om zijn hand en zei: Deze komt er het eerst uit.
[29] Maar het gebeurde, toen hij zijn hand weer naar binnen trok, dat, zie, zijn broer tevoorschijn kwam. Daarop zei ze: Wat een bres heb jij voor jezelf geslagen! En men gaf hem de naam Perez.
[30] Daarna kwam zijn broer tevoorschijn, die de scharlakenrode draad om zijn hand had, en men gaf hém de naam Zerah.
Exodus 6
[24] Eleazar, de zoon van Aäron, nam een van de dochters van Putiël voor zichzelf tot vrouw, en zij baarde hem Pinehas. Dit zijn de familiehoofden van de Levieten, naar hun geslachten.
Genesis 48
[7] Wat mij betreft, toen ik uit Paddan kwam, is Rachel onderweg in het land Kanaän onder mijn ogen gestorven, terwijl het nog maar een kleine afstand was om bij Efrath te komen. Ik heb haar daar begraven, langs de weg naar Efrath, het tegenwoordige Bethlehem.
Genesis 48
[7] Wat mij betreft, toen ik uit Paddan kwam, is Rachel onderweg in het land Kanaän onder mijn ogen gestorven, terwijl het nog maar een kleine afstand was om bij Efrath te komen. Ik heb haar daar begraven, langs de weg naar Efrath, het tegenwoordige Bethlehem.
1 Kronieken 2
[13] Isaï verwekte Eliab, zijn eerstgeborene, Abinadab, de tweede, en Simea, de derde,
[14] Nethaneël, de vierde, Raddai, de vijfde,
[15] Ozem, de zesde, en David, de zevende.
[16] Hun zusters waren Zeruja en Abigaïl. De zonen van Zeruja waren Abisaï, Joab en Asaël, drie zonen.
1 Kronieken 2
[25] De zonen van Jerahmeël, de eerstgeborene van Hezron, waren: de eerstgeborene Ram, en vervolgens Buna, Oren, Ozem en Ahia.
[26] Jerahmeël had nog een andere vrouw, en haar naam was Atara; zij was de moeder van Onam.
Exodus 2
[16] De priester van Midian had zeven dochters. Zij kwamen om water te putten en vulden de drinkbakken om het kleinvee van hun vader te drinken te geven.
Exodus 3
Mozes door God geroepen bij de Horeb
[1] En Mozes hoedde het kleinvee van zijn schoonvader Jethro, de priester van Midian. Hij dreef het kleinvee tot voorbij de woestijn, en hij kwam bij de berg van God, de Horeb.
Genesis 29
[32] Lea werd zwanger en baarde een zoon. Zij gaf hem de naam Ruben. Want, zei zij, de HEERE heeft mijn verdrukking gezien. Voorzeker, nu zal mijn man mij liefhebben.
Genesis 46
[15] Dit waren de zonen van Lea, die zij Jakob gebaard heeft in Paddan-Aram, met Dina, zijn dochter. Het totale aantal zielen van zijn zonen en dochters was drieëndertig.
1 Kronieken 2
[50] Andere afstammelingen van Kaleb waren de zonen van Efrats oudste zoon Chur: Sobal, de stichter van Kirjat-Jearim, [51] Salma, de stichter van Betlehem, en Charef, de stichter van Bet-Gader.
1 Kronieken 2
[50] Dit waren de zonen van Kaleb, de zoon van Hur, de eerstgeborene van Efratha: Sobal, de vader van Kirjath-Jearim,
[51] Salma, de vader van Bethlehem en Haref, de vader van Beth-Gader.
1 Kronieken 3
De nakomelingen van David
[1] Dit waren de zonen van David, die bij hem in Hebron geboren zijn: de eerstgeborene Amnon, bij Ahinoam uit Jizreël; de tweede Daniël, bij Abigaïl, uit Karmel;
[2] de derde Absalom, de zoon van Maächa, de dochter van Talmai, de koning in Gesur; de vierde Adonia, de zoon van Haggith;
[3] de vijfde Sefatja, van Abital; de zesde Jithream, bij zijn vrouw Egla.
[4] Zes zonen zijn hem in Hebron geboren. Hij regeerde daar zeven jaar en zes maanden. Drieëndertig jaar regeerde hij in Jeruzalem.
[5] Deze zonen zijn hem in Jeruzalem geboren: Simea, Sobab, Nathan en Salomo. Deze vier zijn zonen van Bath-Sua, de dochter van Ammiël;
[6] en vervolgens Jibchar, Elisama, Elifelet,
[7] Nogah, Nefeg, Jafia,
[8] Elisama, Eljada en Elifelet, negen zonen.
[9] Zij zijn allen zonen van David, naast de zonen van de bijvrouwen, en Tamar, hun zuster.
Genesis 36
[17] Dit zijn de zonen van Rehuel, de zoon van Ezau: het stamhoofd Nahath, het stamhoofd Zerah, het stamhoofd Samma, het stamhoofd Mizza; dit zijn de stamhoofden van Rehuel in het land Edom; dit zijn de zonen van Basmath, de vrouw van Ezau.
Genesis 17
Aankondiging van de geboorte van Izak
[15] Verder zei God tegen Abraham: U moet uw vrouw Sarai niet meer Sarai noemen, maar haar naam zal Sara zijn.
Genesis 23
Dood en begrafenis van Sara
[1] Sara leefde honderdzevenentwintig jaar; dat waren de levensjaren van Sara.
[2] En Sara stierf in Kirjath-Arba – het tegenwoordige Hebron – in het land Kanaän. Abraham ging de tent in om rouw te bedrijven over Sara en haar te bewenen.
Genesis 17
[17] Toen wierp Abraham zich met zijn gezicht ter aarde en lachte. Hij zei in zijn hart: Zal bij een honderdjarige een kind geboren worden en zal Sara, die negentig jaar is, baren?
Genesis 46
[9] De zonen van Ruben: Hanoch, Pallu, Hezron en Charmi.
[10] De zonen van Simeon: Jemuel, Jamin, Ohad, Jachin, Zohar en Saul, de zoon van een Kanaänitische vrouw.